Zonder titel.

“Uit mijn huis!” blafte een stem. De stalmuursluiper verstarde.  Het geluid leek van achter de tiende statie van de kruisweg te komen.  Een kerkzesoog verscheen uit de schaduw van het tafereel en plaatste zich in het gezichtsveld van de stalmuursluiper.  Hij sprak: “Dit is het huis van God!  Hier is geen plaats voor ongedierte zoals U!  Eruit!”  De stalmuursluiper moest even lachen toen hij merkte dat de kerkzesoog twee ogen minder had dan hemzelf en zei:  “U ziet er ook niet bepaald uit als een dienaar van God?  U lijkt eerder op…. een ordinaire spin… net als ikzelf.  Ik zoek een slaapplaats.  Heeft U geen plaatsje voor mij in uw ruime… accommodatie?”  De kerkzesoog verdween even in de schaduw maar kwam onmiddellijk weer tevoorschijn.  “Er is geen plaats!” gromde hij. De stalmuursluiper – die zich niet zo snel gewonnen gaf – tikte zachtjes met een poot tegen de kalk: “En als ik daar tussen de tenen van de heilige Bartholomëus een scheur zoek?  Ik heb maar een paar centimeter nodig.  U zal geen last van mij hebben.  Het is buiten nogal koud… en nat!  En ik zal me laten dopen!”  De kerkzesoog stapte even door naar de elfde statie van de kruisweg, maar draaide zich om nog vóór hij die bereikt had: “Nee. Geen sprake van!  ER IS GÉÉN PLAATS!”  Als zijn woorden gif waren, hadden ze gedood.  De stalmuursluiper boog ontmoedigd het hoofd. Hij trippelde de muur naar beneden en kroop onder de eerste de beste deur naar buiten.

Onder een druipende treurwilg zaten twee kleurige figuren. Ze boden de stalmuursluiper een sigaretje aan. “Met fanatiekelingen valt niet te onderhandelen!”, knipoogde de schorsmarpissa.

“Zelfs ik mag er niet in!” kloeg de kruisspin terwijl ze haar achterlijf toonde.

Kim

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.